Mol
European mole - Talpa europaea
Bijna iedereen kent de mol, maar bijna niemand ziet hem in het echt. Hij leeft vrijwel zijn hele leven onder de grond en je weet dat hij er is door molshopen en ondiepe gangen net onder het gras. Met zijn fluweelzachte zwartgrijze vacht, spitse snuit en enorme graafpoten is de mol goed toegerust op een leven in het donker. Hoewel voor sommigen een een lastige tuinbewoner is, is hij vooral een teken van een levende, vruchtbare bodem. Mollen maken de grond luchtig, verbeteren de drainage en eten grote hoeveelheden regenwormen, slakken en insectenlarven.
De mol heeft een cilindervormig lichaam met een grijze tot zwarte, fluweelachtige vacht. Zijn voorpoten zijn breed, zijwaarts geplaatst en omgevormd tot krachtige graafhanden met puntige nagels. De ogen zijn piepklein en slecht ontwikkeld, maar de mol is niet blind. Hij heeft geen uitwendige oren en een spitse, slurfvormige snuit met gevoelige tastzenuwen en snorharen.
De mol zelf zie je zelden, maar zijn sporen zijn onmiskenbaar. Verse molshopen zijn ronde opgeworpen hopen losse aarde, donkerder van kleur dan de omliggende grond en zonder opening aan de bovenkant. Oudere hopen zijn platter en overgroeid. Zoek ook naar ondiepe ondergrondse gangen: licht opgewelfde ruggetjes net onder het grasoppervlak, zichtbaar als je er dwars overheen kijkt in laagstaand licht. In de late lente en vroege zomer, wanneer de jonge mol op zoek gaat naar een eigen leefgebied, is hij soms kortstondig bovengronds te zien, verward en kwetsbaar.
De mol leeft ondergronds in zelfgegraven gangenstelsels. Hij heeft een voorkeur voor bodems met voldoende regenwormen en een niet te hoge grondwaterstand. De bodem mag niet te zandig, te nat, te stenig of te zuur zijn. In goede omstandigheden kan de mol een uitgebreid netwerk van diepe en ondiepe gangen aanleggen, met nestkamers, opslagplekken en verbindingen naar voedselrijke delen van het territorium.
Het gangenstelsel van de mol werkt als een val voor ongewervelde dieren. Tijdens zijn voedselrondes verzamelt hij vooral regenwormen, maar ook insectenlarven, kevers, spinnen en slakken. Per dag eet een mol ongeveer de helft van zijn eigen lichaamsgewicht. In voor- en najaar legt hij voedselvoorraden aan door regenwormen te verlammen en in ondergrondse kamers op te slaan. Omdat regenwormen veel vocht bevatten, hoeft de mol nauwelijks te drinken.
In de paartijd, grofweg van februari tot april, verlaat de mol tijdelijk zijn leefgebied om een partner te zoeken. Na de paring bouwt het vrouwtje een nestkamer in haar gangenstelsel. Ongeveer vier weken later worden meestal drie tot zes jongen geboren. Het jong is aanvankelijk blind, kaal en hulpeloos. Na enkele weken verlaat hij het nest en na ongeveer twee maanden is hij zelfstandig. Dan graaft hij een gang recht omhoog en trekt grotendeels bovengronds weg om een eigen territorium te vinden.
De mol speelt een belangrijke rol in het bodemecosysteem. Door te graven zorgt hij voor beluchting en betere drainage van de bodem. Bovendien eet hij veel regenwormen, slakken en larven van insecten, waarmee hij vraatschade aan gewassen voorkomt. Molshopen worden op hun beurt weer benut door vogels, die in het losse zand naar voedsel zoeken. De mol is daarmee een soort die bijdraagt aan een gezonde en dynamische bodem.
- De mol is niet compleet blind, maar vertrouwt door zijn ondergrondse manier van leven vooral op tast en reuk.
- Zijn gangenstelsel kan tientallen meters lang zijn en tot ongeveer een meter diep kan reiken.
- Een mol eet per dag ongeveer de helft van zijn eigen lichaamsgewicht.
- Als een mol vertrekt of bestreden wordt is zijn leefgebied vaak snel weer bezet door een andere mol. Hierdoor heeft bestrijding zelden langdurig effect.
In Nederland komt de mol vrijwel overal voor. Alleen op de Waddeneilanden en in de centra van grote steden ontbreekt hij meestal. De dichtheid verschilt sterk per gebied en hangt samen met bodemtype, grondwaterstand en voedselaanbod.
De mol komt voor in grote delen van Europa en in het westen van Azië. Oostwaarts loopt het verspreidingsgebied door tot aan Siberië. De soort ontbreekt in Ierland, IJsland, grote delen van Zuid-Europa en het grootste deel van Scandinavië.
De grootste bedreiging voor mollen is de mens. Molshopen en gangen worden in tuinen, weilanden en gazons als hinderlijk ervaren, waardoor mollen geregeld worden vervolgd of gevangen. Dat heeft echter zelden langdurig effect, omdat vrijgekomen territoria snel opnieuw worden bezet.
In plaats van mollen te bestrijden, kun je proberen met het dier samen te leven. Molshopen zijn juist een teken van een gezonde bodem. Laat ze waar mogelijk liggen en besef dat bestrijden geen zin heeft, omdat een andere mol een vrijgekomen leefgebied vaak snel weer zal innemen. Vermijd het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de tuin, zodat het aanbod aan regenwormen op peil blijft.
De mol staat niet op de Rode Lijst NL Zoogdieren 2020. De soort is niet vermeld onder de Omgevingswet, de Habitatrichtlijn (1992) of de Conventie van Bern (1982). Hoewel er daarmee geen specifieke juridische bescherming geldt, is onnodige verstoring of het doden van mollen in het wild in strijd met het algemene principe van zorgvuldig omgaan met inheemse dieren.