Laatvlieger
Eurasian Serotine - Eptesicus serotinus (mogelijke verandering: Cnephaeus serotinus)
De laatvlieger is een van onze grootste vleermuizen. Hij dankt zijn Nederlandse naam aan het feit dat hij later uitvliegt dan een andere grote vleermuis, de rosse vleermuis, waarvan een oude naam ‘vroegvlieger’ is. Zijn vleugels zijn breed, waardoor hij een goede wendbaarheid heeft. Kenmerkend zijn de relatief trage vleugelslag en de langzame vlucht in lange banen met wijde bochten en plotselinge uitvallen.
De laatvlieger is een van de grootste vleermuizen van Nederland. Je herkent hem aan zijn tweekleurige vacht: koffiebruin op de rug en koffie-met-melk-bruin op de buik. Gezicht, oren en vlieghuid zijn zwartbruin. Zijn vleugels zijn relatief lang en breed. De oren zijn relatief klein, meer lang dan breed, met vijf opvallende dwarsplooien. Het oorflapje (tragus) is donker, korter dan de helft van de oorlengte, stomp en licht naar binnen gebogen.
Laatvliegers verlaten 9-20 minuten na zonsondergang in kleine groepjes de verblijfplaats om te gaan jagen. Bij een groot aanbod van favoriete prooien, gebeurt dit ook al voor zonsondergang. In dorpen en aan de rand van steden kun je de laatvlieger in de schemering zien jagen rond lantaarnpalen, in tuinen en in parken. Soms jaagt hij in groepjes. De laatvlieger vangt insecten hoofdzakelijk uit de lucht, maar pakt soms ook prooien van bladeren of van de grond. Kenmerkend zijn de relatief trage vleugelslag en de langzame vlucht in lange banen met wijde bochten en plotselinge uitvallen.
De laatvlieger is een gebouwbewoner. Kraamkolonies komen voor in gebouwen. Ze wonen in spouwmuren, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen en soms zolders. In de winter zoeken ze nauwe en relatief droge plaatsen op.
Laatvliegers jagen vooral op kevers en nachtvlinders. Daarnaast worden tweevleugeligen en andere insecten gevangen. De samenstelling van het dieet is afhankelijk van het prooiaanbod en kan per seizoen en locatie sterk verschillen.
De paring is in september-oktober. Rond half juni wordt één jong geboren, zelden zijn dit er twee. Na ongeveer 3 weken kunnen de jongen vliegen en na 4-5 weken verlaten ze de kolonie.
De laatvlieger vervult een belangrijke rol in stedelijke ecosystemen. Door ’s nachts grote aantallen meikevers, nachtvlinders en andere insecten te vangen, draagt hij bij aan een gezond en natuurlijk evenwicht. Daarnaast is hij zelf ook een prooi voor uilen (vooral bosuil en kerkuil) en roofvogels (boomvalk, sperwer).
- Bij de laatvlieger zijn de laatste één tot twee staartwervels vrij waardoor de staart 4 á 5 mm buiten de staartvlieghuid steekt.
- Tijdens warme winters onderbreekt de laatvlieger zijn winterslaap om te gaan jagen.
- Zijn prooi vangt hij meestal in de vlucht (‘aerial hawking’). Soms grijpt hij zijn prooi van de grond af (‘ground gleaning’).
Laatvliegers komen verspreid over het land voor. Ze ontbreken onder meer in delen van het zuidwesten en het noorden van het land.
De laatvlieger komt voor in een groot deel van Europa, behalve het noorden en het zuidelijk deel van het Iberishc Schiereiland. Noord-Denemarken vormt de noordgrens van zijn verspreidingsgebied.
De laatvlieger is kwetsbaar vanwege de voor vleermuizen typische lage reproductiesnelheid en een hoge mate van trouw aan het kraamverblijf, gecombineerd met een beperkte migratie. Verblijven in gebouwen staan onder druk als gevolg van werkzaamheden t.b.v. de reductie van CO2-uitstoot (naisolatie, sloop/nieuwbouw). Buiten de verblijfplaatsen kan het verlies van jachtgebied en doorsnijding van vliegroutes een bedreiging vormen. O.a. door gebruik van ontwormingsmiddelen in runderen en paarden en de bestrijding van bastkevers, is er een afname van voedselbeschikbaarheid en risico op vergiftiging. Sterfte en verlies van verblijven kan optreden door het afsluiten van in- en uitvliegopeningen en/of het gebruik van isolatiematerialen waarin vleermuizen verstrikt raken. Houtconservering op kerkzolders kan mogelijk leiden tot sterfte onder jonge dieren en tot het verlaten van de zolders. Door uitbreiding van de bebouwde kom en intensivering van gebruik van stadsranden (sportvelden, verlichting, rondwegen) komen foerageergebieden verder van de kraamverblijven af te liggen, waardoor minder lactatiemomenten per nacht plaats kunnen vinden. Windturbines in de omgeving van kraamverblijven kunnen leiden tot slachtoffers.
Maak je tuin donker en insectvriendelijk: beperk buitenverlichting, gebruik geen pesticiden en kies voor inheemse planten die veel insecten aantrekken. Zo help je vleermuizen aan voldoende prooi. Ook kan je een vleermuiskast ophangen als extra verblijfplaats, bijvoorbeeld aan de zijkant van je huis of in een boom. Probeer mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen niet te verstoren
De laatvlieger is in Nederland strikt beschermd onder de Omgevingswet (voorheen de Wet natuurbescherming), op basis van de Europese Habitatrichtlijn. Het is verboden om laatvliegers te doden, te vangen of opzettelijk te verstoren. Ook mogen hun vaste rust- en verblijfplaatsen, zoals kraamkolonies en winterverblijven, niet worden beschadigd of vernietigd. Deze verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook wanneer de dieren tijdelijk afwezig zijn.